Caramboles met Bloed, Zweet en Tranen

Een symfonie van stoten, noten en andere misstoten
Onwillekeurig, als ik zelf speel of met veel aandacht naar biljarten kijk, ontstaan er in mijn fantasierijke geest muzikale beelden. De keu wordt plots een strijkstok, de librist zingt samen met Chi Coltrane “Go like Elijah and let me go” en de kaderspeler componeert zijn serie.
Iedereen heeft wel een favoriet nummer, een guilty pleasure of weet nog welke plaat hij als eerste kocht. Twee uitspraken klinken voor mij als muziek in de oren:
- "Het goede aan muziek: wanneer het je raakt, voel je geen pijn”, aldus Bob Marley.
- De “ beroemde Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen zei ooit: "Waar woorden falen, spreekt de muziek."
Als erkend letterorakel heb ik altijd wel mijn woordje klaar, maar zelfs ik zit regelmatig om de juiste woorden verlegen. Zeker als iets mij oprecht raakt. De tekst van een liedje of passende muziek kan dan helend zijn. Iedereen heeft zijn eigen smaak, die vaak afhankelijk is van de persoonlijke stemming. De een valt voor klassiek, de ander aanbidt jazz, weer een ander gaat op in rock, pop of punk. Over smaak valt nu eenmaal niet te twisten. Het is net als bij biljarten, de een zweert bij het libre, de ander adoreert het kader en het lastige driebandspel heeft een groeiende groep van aanhangers.
Op de lagere school waren mijn onderwijzers niet de meest empathische musici. Ik mocht al snel niet meer meezingen. Mij werd dringend verzocht om mij te beperken tot meeneuriën, omdat mijn stem toen al klonk als een doorgerookte kachelpijp. Later, tijdens dansles, werd mij wegens gebrek aan maat- en ritmegevoel gevraagd om plaats te nemen aan de bar. Ik kon daar overigens goed mee leven, want ik leste mijn dorst. Bovendien bleven de tenen van de dames dan ongedeerd. Tijdens mijn opleiding zijn er verwoede pogingen gedaan om mij te laten spelen op een instrument. Eerst op een blokfluit en later op een gitaar. Het spelen lukte wel, maar de klanken werden niet geapprecieerd. Het enige instrument dat ik nu met verve bespeel is: de treinfluit. Nu nog kijk ik met enige jaloezie naar mensen die met passie een instrument bespelen.
Tien jaar geleden heb ik voor het eerst de keu opgepakt. Het begin was aarzelend slechts één keer per week. De biljarttafel zag ik direct als een orkestbak en ik probeerde de ballen over het groene laken te dirigeren. Het spel had me geraakt. Ik was nu meerdere keren per week in de biljartarena te vinden. Ik ging ook kijken naar de betere spelers, de eerste violisten van het cluborkest.
In tegenstelling tot mijn muzikale carrière, maakte ik bij het biljarten wel vorderingen. Geen reuzestappen, mijn moyenne steeg beetje bij beetje en ik verbeterde keer op keer mijn hoogste serie. Het eind is nog niet in zicht. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik niet echt kan worden aangemerkt als een biljarttalent. Ik ben meer van de noeste arbeid veel spelen/trainen. André Hazes typeert met “Bloed, Zweet en Tranen” mijn ontwikkeling in het biljarten. Het belangrijkste? Ik geniet er met volle teugen van.
Wanneer ik mijn keu oppak, voel ik me soms een soort biljart Sinatra: charmant in theorie, maar in de praktijk eerder een crooner die nét naast de microfoon zingt. De biljarttafel is mijn concertzaal, het laken mijn vinylplaat en de ballen, tja, die gedragen zich soms als The Rolling Stones: ze rollen wel, maar niet altijd waar ik ze hebben wil.
Mijn warming‑up lijkt op een kruising tussen The Twist en een mislukte tango. De keu zwiept, mijn arm zwiept mee, en ergens in de verte hoor ik mijn rug zachtjes “Don’t Stop Me Now” fluisteren, al is het eerder een smeekbede dan een aanmoediging.
Het groene laken glanst als een LP uit de jaren zestig: een beetje stoffig, een beetje nostalgisch, maar vol muziek. En elke speler heeft zijn eigen stijl, zijn eigen ritme, zijn eigen favoriete spel. Het biljartlokaal is eigenlijk een soort jukebox: je gooit er een muntje in (of betaalt contributie), en de spelers beginnen vanzelf te spelen.
De libristen zijn van “Freedom”
Libristen zijn de Jimi Hendrixen van de club: vrij, los, improviserend en soms heel creatief. Ze spelen alsof ze begeleid worden door Aretha Franklin die “Respect” inzet, maar dan vooral voor de vrijheid van de bal.
Maar vergis je niet: achter dat vrije spel schuilt een bijna Mozartiaanse precisie. Vooral wanneer ze zich wagen aan de serie American. Dan verzamelen ze hun ballen met de zorgvuldigheid van een componist die noten kiest voor een symfonie. Elke positie is een akkoord, elke stoot een maat en elke carambole een ouverture. Ze schuiven, tikken en duwen niet wild, maar met een soort nonchalante exactheid die je alleen ziet bij mensen die doen alsof ze niet nadenken, maar ondertussen rekenen als een musicerende accountant.
Ook ik adoreer het vrije spel. Voor mij geldt meer: “I’m a Believer”. Ik speel vol overtuiging, maar mijn keu fluistert zo nu en dan: “Let it be” als ik weer eens een eenvoudige bal mis en mezelf hardvochtig toespreek.
Voor de kadristen geldt “Walk the Line”
Kadristen zijn de Paul McCartneys van het biljart: ordelijk, precies en met een bijna boekhoudkundige liefde voor vakjes. Ze denken in kaders en lijnen, Johnny Cash zou trots op hen zijn.
Kadristen lijken vooral op virtuoze violisten. Hun keu is hun strijkstok. Ze strijken lang door de bal heen alsof ze een vioolsolo inzetten. En dan ineens een korte stoot met een verrassend effect, alsof ze een nog niet gecomponeerde noot spelen.
Waar een librist onbevangen danst, loopt een kadrist rechtlijnig. Hun ballen bewegen alsof ze een strakke mars lopen op “Walk the Line”. Entrée, À cheval en Dedans klinken als een mooi Frans chanson. Resté dedans is de valse noot die een kadrist absoluut niet wil horen.
De driebanders leven met “Diamonds Are Forever”
Driebanders zijn de Brian Mays van de biljartwereld: wiskundig, berekenend en met een bijna kosmische precisie. Waar ik een tafel zie, zien zij een sterrenkaart. Ze lopen om de tafel heen alsof ze The Da Vinci Code aan het kraken zijn. De diamonds op de banden zijn hun notenbalk: elke markering een toon, elke berekening een melodie.
Ik kreeg ooit les: “Via de derde diamond op de lange band, dan de tweede op de korte, dan komt ’ie vanzelf goed.” Ik knikte alsof ik het begreep, maar in mijn hoofd klonk alleen “Help!”.
Mijn uitvoering leek uiteindelijk meer op een alternatieve versie van “Diamonds Are Forever”: de diamonds bleven inderdaad voor altijd, onaangeroerd. Driebanders rekenen, schuiven, richten: en dan volgt dat zachte tikje van de keu, alsof Shirley Bassey zelf het startsein geeft. En ja hoor: carambole. Alsof het niets is. Ik noem dat magie. Zij noemen het “gewoon even kijken”.
Tot slot “We’ll Meet Again”
Wat je ook speelt, libre, kader of driebanden, uiteindelijk staan we allemaal aan dezelfde groene tafel. We lachen om elkaars missers, bewonderen elkaars caramboles en drinken samen een goed glas. Op de achtergrond in de zaal zingt Vera Lynn zachtjes dat “we elkaar weer zullen zien.”
De mooiste muziek van het biljarten is niet het zachte tikken van de ballen of de mooie klanken van een goede afstoot met de keu, het is vooral de lach en het gesprek van mensen. Zelfs als je, zoals ik, vaker een klos maakt dan een carambole. Maar ach, elke misser is gewoon een nieuwe kans op een remix. En soms, heel soms, klinkt die remix verrassend goed.









